3. Hoe zit dat nu met de geldstromen? Wat kost België ons?
Graag
vestigen wij de aandacht van op twee interessante studies, één
van Vives (KU Leuven) en een van CERPE (Univ Namur) over de
transferten van overheidsgelden tussen de gewesten in ons land.
Deze lopen op tot méér dan 11 miljard euro per jaar. Dat is
1.800 euro per Vlaming per jaar ! Dus 7.200 euro per jaar voor
een modaal gezin met twee kinderen.
11 miljard euro
transfers van Vlaanderen naar Wallonië
In een eerdere
Vives-studie (KUL) uit 2010 werden al de financiële stromen van Vlaanderen
naar Wallonië voor het jaar 2007 berekend op 5,7 miljard euro. Hierbij werd
toen rekening gehouden met de drie traditionele luiken van de
transferberekening, zijnde de stromen vervat in de federale
overheidsuitgaven buiten de sociale zekerheid (goed voor 1,1 miljard euro),
in de Bijzondere Financieringswet (goed voor 1 miljard euro), en in de
sociale zekerheid (voor 3,6 miljard euro, waarvan 0,2 miljard naar Brussel).
Interessant is
wellicht ook het gegeven dat Vlaanderen in 2007 goed was voor 62,18 % van de
federale inkomsten uit belastingen en sociale bijdragen. Wallonië stond in
voor 28,19 %, Brussel voor 9,63 %. Aan de
uitgavenzijde krijgt Vlaanderen slechts ongeveer 57 % terug en Wallonië 33
%. Brussel "krijgt" ongeveer zijn eigen aandeel in opbrengsten terug. In
deze studie werden de rente-uitgaven op de overheidsschuld evenwel niet
meegerekend.
In de nieuwe Vives-studie (KUL) van april 2011
wordt dit manco weggewerkt en het geeft meteen ook het belang van deze
verfijning weer. De studie toont immers aan dat de transfers uit
rentebetalingen zelf ook oplopen tot ruim 5 miljard euro zodat de totale
transfers meer dan 11 miljard euro bedragen.
De helft van de
totale transfers kan dus toegeschreven worden aan intrestlasten uit de
federale overheidsschuld.
De studie toont aan
dat de transfers door rentelasten zo hoog oplopen door voornamelijk twee
factoren:
(1) De studie wijst
logischerwijze de rentelast verhoudingsgewijze toe aan elk gewest in de mate
dat het gewest de schulden heeft veroorzaakt. Doordat het jaarlijks tekort
in Wallonië zo hoog oploopt, en Vlaanderen daarentegen meestal een overschot
boekt, moet het grootste deel van de staatsschuld bijgevolg aan Wallonië
worden toegeschreven. Hierdoor zijn de transferts in de rentebetalingen nog
veel hoger dan in de gewone uitgaven : de schuld wordt immers
verhoudingsgewijs veel meer door Wallonië veroorzaakt dan door Vlaanderen.
(2) Men stelt vast
dat deze situatie zich zelfs voordoet wanneer de inkomsten groter zijn dan
de uitgaven (exclusief de rentelasten) (het zogenaamde primaire
begrotingsoverschot) omdat er door de rentelasten toch nog een
begrotingstekort ontstaat. Het (primair) begrotingsoverschot is immers
kleiner dan de rentelasten en zo maakt men elk jaar nieuwe schulden om de
rente te kunnen betalen (zogenaamde rentesneeuwbal).
Het toont de noodzaak
aan om grondig te saneren, een oefening die Vlaanderen wel maakte en die
Wallonië bewust “uitstelde”.
De studie toont op
deze wijze finaal aan dat de transferten uit rentelasten groter zijn (de
helft) dan deze via de sociale zekerheid (een derde). Precies omdat het ene
gewest de schulden maakt waarop het andere nadien de facto de intresten moet
betalen. Daarom is het technisch gesproken vooral in het belang van
Vlaanderen dat de federale staat haar overschot zou vergroten (bijv. door te
saneren) waardoor de interestlast voor Vlaanderen verhoudingsgewijze meer
zou dalen.
Een andere recente studie, gepubliceerd begin mei 2011, van CERPE
(Universiteit van Namen) is daarom ook bijzonder interessant.
Dit studiecentrum kan bezwaarlijk verdacht worden van Vlaamse sympathie en
tendentieuze berekeningen in die zin.
De economen stellen
zich de vraag wat de te financieren kosten zouden zijn voor elk gewest
wanneer elk gewest morgen onafhankelijk zou zijn en er geen transferten meer
zouden zijn. Ze vinden deze benadering trouwens relevanter dan het berekenen
van de transferten op zich.
In het crisisjaar
2010 was voor de federale overheid het verschil tussen ontvangsten en
uitgaven (zonder rentelasten) negatief voor een bedrag van 1,638 miljard
euro (een primair tekort dus). Dit tekort was volgens deze Waalse studie als
volgt samengesteld :
Brussel:
+ 0,276 miljard euro (klein overschot)
Vlaanderen: +
4,350 miljard euro (overschot)
Wallonië:
- 6,264 miljard euro (tekort)
De studie berekent
ook dat over de periode 2006-2010 (= vijf jaar) Vlaanderen een primair
overschot boekte van 41,5 miljard euro (gemiddeld 8.3 miljard per jaar),
terwijl Wallonië over dezelfde periode een primair tekort boekte van
21,2 miljard (gemiddeld - 4.24 miljard per jaar).
Als men weet dat de
totale federale rentelasten om en bij de 12,5 miljard euro bedragen, dan kan
men snel berekenen hoe het saldo per gewest zou evolueren, inclusief
rentelasten. Zelfs indien de rentelast zou
verdeeld worden volgens de bevolking (58 % voor Vlaanderen en 32 % voor
Wallonië - en dus niet eens volgens de oorsprong van de schuld wat normaal
zou zijn), blijkt uit de tabel hieronder de enorme invloed van de
rentelasten.
|
Vlaams
Gewest |
|
aandeel |
|
|
|
primair
saldo |
rentelast
58% |
overschot |
|
jaar 1 |
8,3 |
-7,25 |
1,05 |
|
jaar 2 |
8,3 |
-7,25 |
1,05 |
|
jaar 3 |
8,3 |
-7,25 |
1,05 |
|
jaar 4 |
8,3 |
-7,25 |
1,05 |
|
jaar 5 |
8,3 |
-7,25 |
1,05 |
|
|
|
|
5,25 |
|
Waals
Gewest |
|
aandeel |
|
|
|
primair
saldo |
rentelast 32% |
tekort |
|
jaar 1 |
-4,24 |
-4 |
-8,24 |
|
jaar 2 |
-4,24 |
-4 |
-8,24 |
|
jaar 3 |
-4,24 |
-4 |
-8,24 |
|
jaar 4 |
-4,24 |
-4 |
-8,24 |
|
jaar 5 |
-4,24 |
-4 |
-8,24 |
|
|
|
cumul |
-41,2 |
Over de periode
2006-2010 zou Vlaanderen, met de opgegeven verdeelsleutel van de bestaande
schuld (volgens bevolking), zijn deel in de schuld hebben kunnen afbouwen
met 5.25 miljard Euro, terwijl Wallonië over dezelfde periode zijn schuld
zou hebben zien toenemen met 41.2 miljard. Indien men de samengestelde
intrest zou berekenen, vergroot de kloof nog.
Deze berekeningen,
op basis van de Waalse berekening van de tekorten over een periode van vijf
jaar, bevestigen dus de studie van Vives : de schuld vindt voornamelijk zijn
oorsprong in het Waalse landsgedeelte en doet de transferten nog meer
oplopen.
Slotwoord
Deze cijfers tonen
aan dat de huidige solidariteit overdreven hoog is, zo hoog dat de Vlaamse
welvaart erdoor wordt bedreigd. Alleen door ruime bevoegdheidsoverdrachten
en eigen verantwoordelijkheid voor inkomsten en uitgaven kan daaraan een
einde gesteld worden. De traditionele Vlaamse partijen hebben deze toestand
al veel te lang uit de hand laten lopen, door gebrek aan moed. De weigering
van de Franstaligen om over de inhoud van “solidariteit” te praten, toont
meer dan ooit de noodzaak van een Onafhankelijk Vlaanderen.